Even een toevoeging hierop van de xr/rs-club:
Vanaf het moment dat de eerste drie-deurs Escort in Boreham arriveerde in september 1980, werd het BDA blok uit de achterwiel aangedreven Fiesta gehaald om uit te vinden welke onderdelen opnieuw konden worden gebruikt in de nieuwe Escort.
Over de motor en over aandrijving via de achterwielen was geen twijfel mogelijk, maar men was er nog niet uit waar de versnellingsbak zou moeten worden geplaatst.
De nieuwe Escort was ontworpen voor een dwarsgeplaatste motor en een vierversnellingsbak. De in lengterichting geplaatste BDA was een stuk langer en lag veel verder naar achteren. Alleen al om deze redenen lag het voor de hand dat de versnellingsbak achterin kwam te liggen. Bijkomend voordeel was een betere gewichtsverdeling dan wanneer de versnellingsbak voorin geplaatst zou worden.
Het eerste prototype was voorzien van een vijfversnellingsbak, afkomstig uit een Porsche 924. De 18 prototypes die hierna gebouwd werden, waren allen voorzien van een speciaal gebouwde Hewland transmissie en achteras.
Om in de top van de Group B rally mee te kunnen draaien was de standaard BDA motor niet meer krachtig genoeg, de meeste grote concurrenten hadden veel meer vermogen tot hun beschikking dan de Escort.
De nieuwe regels van Group B Homologation stonden het toe om de cilinderinhoud te vergroten tot 2 ½ liter. Het oude BDA blok had “slechts” een inhoud van 1786 cc. De oplossing was het vergroten van de cilinderinhoud of het monteren van een turbo. Een turbomotor met een relatief kleine cilinderinhoud levert een vermogen dat gelijkwaardig is aan een motor met een veel groter cilinderinhoud zonder turbo.
De maximale cilinderinhoud van een turbomotor was te bepalen door de maximale inhoud van een “normale” motor te delen door 1,4.
In het geval van de Escort: 2500/4 = 1786 cc. Dit was precies de inhoud die het BDA blok had. Het type motor wijzigde wel hierdoor, BDA werd BDT, Belt Drive, Turbo.
De tweede eis waar aan voldaan moest worden was een productieaantal van minimaal van 200 stuks.
Er moesten dus twee verschillende wagens ontwikkeld worden. Niet alleen een rallywagen maar ook een “normale” weg uitvoering.
Er werden in een relatief korte periode 18 prototypes gebouwd. De eerste modellen leken (uiterlijk) nog het meest op een normale Mk3. De latere prototypes hadden dusdanig veel andere onderdelen dat de wagen qua uiterlijk volkomen anders was. Vergelijk het met een normale Mk5 Escort ten opzichte van een Escort Cosworth. In grote lijnen was de RS1700t, zoals hij door het leven zou gaan, nog wel een Mk3, maar je moest wel goed kijken om overeenkomsten te vinden.
Vanaf het moment dat het sein gegeven werd om de wagen te gaan bouwen werd er een groep top coureurs zoals Markku Alen, Bjorn Waldegard, Pentii Arikkala, Malcolm Wilson and, of course, Blomqvist and Vatanen- opgetrommeld om mee te helpen aan het testen van de nieuwe rallywagen.
De RS1700t was aanmerkelijk veel sneller dan de Mk2 RS1800, hij was zelfs net zo snel als een van zijn grote concurrenten op dat moment, de Lancia 037. Echter, de RS1700t miste een heel belangrijk punt namelijk vierwielaandrijving. De echte grote jongens in de rallywereld (o.a. Audi Quattro en de Peugeot 205 T16) hadden allen aandrijving op vier wielen. De RS1700t had geen voldoende grip op natte en gladde wegen.
Maar dit gebrek was niet het grootste probleem. De RS1700 was ook nog eens te zwaar. En hoe meer de engineers in Boreham de RS1700t lichter probeerden te maken, hoe duurder dat de wagen werd. Metalen panelen werden vervangen door het veel lichtere en sterkere, maar schrikbarend veel duurdere Kevlar. Deze aanpassingen betekenden ook nog eens een vertraging in de planning van 18 maanden vanwege het aanpassen van 200 Mk3 carrosserieën.
Aan het begin van de productie (begin 1981) was de verwachte verkoopprijs £10.000,-. Met alle noodzakelijke aanpassingen zou de wagen niet minder dan £23.000,-. Gaan kosten. Dit was in een anderhalf jaar tijd meer dan een verdubbeling van de prijs. En dit was dan nog eens zonder de winstmarge voor de dealer!
De RS1700t had zeker een goede kans om te gaan winnen, op droge wegen. Alleen dan zou hij min of meer gelijkwaardig zijn aan andere rallywagens. Maar helaas was het management van Ford er op tegen om door te gaan met dit model.
Op 15 maart 1983 werd de productie na drie jaar stopgezet. De totale kosten bedroegen op dat moment £4.000.000.
Toch betekende dit niet helemaal het einde voor de RS1700t. Van de in het totaal 18 gebouwde prototypes werden een handvol wagens verscheept naar Zuid Afrika, waar ze onder de hoede van Bernie Mariner, competitions manager van Ford of South Africa kwamen.
Deze heeft nog enkele jaren met de wagens gereden in het South African Rally Championship.
Van de overige wagens is weinig bekend, er zijn er tijdens het testen enkele gesneuveld. Er is tenminste een blauw exemplaar bekend die voor “normaal” weggebruik geschikt is, deze staat in Malcolm Wilson’s prive museum (Teamdirector Ford’s rallyprogramma).
